Milieuzorg in Ecuadoriaanse KMO’s

december 2005

Onze milieuconsultant Katrien Cooman werkte in het Ecuadoriaanse Cuenca mee aan een project Schoner Produceren. In onderstaand artikel schetst zij hoe men met die methodologie niet alleen de milieudruk van de KMO’s kon verlagen, maar ook hun kosten drukken. Wat uiteindelijk de competitiviteit van de vaak noodlijdende bedrijfjes verhoogde.

In de voorbije jaren zijn er in Ecuador al heel wat milieu-inspanningen geleverd door (inter)nationale organisaties voor natuurbescherming en –behoud, maar die waren minder gericht op het voorkomen en beperken van de milieu-impact van de menselijke activiteiten (landbouw, industrie, mobiliteit, wonen, etc.).  Via de Vlaamse Vereniging voor Ontwikkelingssamenwerking en Technische Bijstand (VVOB), heb ik gedurende 2.5 jaar gewerkt in het centrum voor milieustudies (CEA, Centro de Estudios Ambientales), van de Universiteit van Cuenca.  Enerzijds werden er middelen ingezet voor het uitbouwen van het CEA als multidisciplinair milieucentrum, anderzijds voor het verbeteren van de milieuprestaties van KMO’s in de provincie Azuay.

Cuenca, derde grootste stad van Ecuador en hoofdstad van Azuay (ca. 280.000 inwoners), is gelegen in de Andes ten zuiden van Quito.  De belangrijkste economische bedrijvigheid in Cuenca wordt geleverd door de vele KMO’s en micro-ondernemingen. Ze zijn vooral actief in textiel, keramiek, meubel en houtbewerking, zilver- en goudsmederij en voeding.  Het zijn zij die grotendeels zorgen voor de werkgelegenheid.  Door de politieke en financiële instabiliteit, de corruptie op alle niveaus, de emigratie van zowel werkkrachten als hoogopgeleiden, de marktoverspoeling door veel goedkopere buitenlandse producten (voornamelijk van Chinese origine) en de dollarisering, hebben vele KMO’s hun deuren gesloten of staan op het punt dat te doen.

Baseline studie

Heeft milieuprestaties verhogen wel zin in die context?  De bevolking ligt toch niet wakker van de vele milieuproblemen en de bedrijfsleiders nog minder.  Die willen overleven. En de werknemers willen dagelijks brood op tafel. Teneinde de slaagkans van de projectopzet te vergroten, werd een baseline studie uitgevoerd om de situatie in de KMO’s te screenen en de oorzaken van lage milieu-inspanningen verder te analyseren.  Aan de hand van een enquête en interviews werden 60% van de KMO’s in Cuenca en enkele belangrijke stakeholders doorgelicht. Uit de resultaten bleek dat de meeste KMO’s familiebedrijven waren die niet beschikten over een goed administratief systeem, geen kosten- noch kwaliteitscontrole uitvoerden, werkten met verouderde technologieën, niet beschikten over middelen of subsidies om te innoveren. Het waren bedrijven die niet konden concurreren met stijgende internationale markteisen en goedkopere buitenlandse producten, niet investeerden in opleiding van personeel en evenmin in een milieuvriendelijke productie.  De KMO’s hadden een lage productiviteit en weinig concurrentiecapaciteit.

Verbeteringen op korte termijn

Het centrum CEA koos bewust voor de preventieve en brongerichte aanpak ter verbetering van de milieuprestaties van de KMO’s. In heel wat bedrijven werd er gestart met een initiële doorlichting van de organisatorische en milieutechnische aspecten en werd het hele productieproces geëvalueerd. Er werd eveneens gepeild naar de bedrijfscultuur en de interesse en de motivatie van het management om in een project te stappen.  Aan de hand van verschillende criteria zoals mogelijkheden tot verbetering met relatief kleine financiële inspanningen, het belang van de sector op het vlak van werkgelegenheid en marktaandeel, financiële draagkracht van het bedrijf, openheid in communicatie, etc…, werden er na de initiële screening concrete projectvoorstellen voor bepaalde KMO’s opgesteld en besproken. 

Men kan die voorstellen tot verbetering groeperen afhankelijk van de financiële inspanningen en de terugverdientijd.  De administratieve en organisatorische maatregelen die het productieproces verbeteren en dus ook de milieuaspecten, zoals voorraadbeheer, adequate opslag van grondstoffen, gebruik van inventarissen tot zelfs het plannen en programmeren van de productie, zijn ‘good housekeeping’ praktijken die geen of een kleine investering vragen, maar toch belangrijke financiële voordelen kunnen opleveren.  Daarnaast zijn er de voorstellen tot veranderingen van technologie, verandering van hulp- en grondstoffen, (her)ontwerpen van producten, intern en/of extern hergebruik, recyclage … die eventueel hogere investeringen vragen en een langere terugverdientijd.  De meeste projecten waren gebaseerd op rationeel energie- en waterverbruik en op afval- en emissiepreventie volgens het principe van Ladder van Lansink.  Tijdens het hele traject werd er gemeten en gemonitord zodat met harde cijfers en niet met lijvige rapporten en verslagen de knelpunten en verbeteringen in dollars konden worden uitgedrukt. Het is voorgekomen dat men tot de ontgoochelende vaststelling kwam dat het bedrijf zich bezighield met het produceren van afval … 

Gezien Ecuador geen heffingen oplegt aan de vervuiler, was het onze strategie om projecten uit te kiezen die potentiële verbetering zouden opleveren op korte termijn.  Er werd bij de begeleiding getracht om met een minimale investering een belangrijke economische winst te halen.  De communicatie was een heel belangrijk criterium in de initiële keuze van deelnemende KMO’s.  De communicatie moest vlot en eerlijk verlopen en gegevens moesten correct doorgegeven worden.  Dat klinkt hier misschien normaal, maar in Latijns-Amerika is dat geen vaststaande zekerheid. Een ander heel belangrijk facet is de openheid voor veranderingen: niet alleen in de hiërarchische lijn, maar ook op de werkvloer.  Het engagement en openheid is heel belangrijk omdat het succes van implementatie van verandervoorstellen hier rechtstreeks mee gepaard gaat. Bovendien moet er zonder problemen gemeten en geanalyseerd kunnen worden en moet de relevante informatie ter beschikking kunnen worden gesteld. Voorstellen tot ‘verbeteren’ leidt vaak tot de vaststelling dat mensen niet efficiënt werken en dan kan je op tegenstand stuiten die het hele projecttraject vertragen of zelfs onmogelijk maken.  Het is ook heel belangrijk de medewerking te hebben op alle niveaus van de onderneming.  Mensen op de werkvloer kennen het productieproces door en door en weten vaak waar de problemen zitten.  Voorstellen tot verbetering die van de werkvloer komen, zijn vaak het meest praktisch haalbaar en zullen ook sneller ingang vinden en aanvaard worden.  Na de initiële audit, werd bij de keuze van de deelnemende KMO’s in de mate van het mogelijke rekening gehouden met deze facetten. 

Ook belangstelling voor ISO 14001

In de voorloopfase van het project ‘Schoner Produceren’ werden ter sensibilisatie en promotie verschillende seminaries en opleidingen georganiseerd voor zowel technisch personeel als managementfuncties.  Tegenstand kon het best naar beneden gehaald worden met concrete voorbeelden vanuit de eigen omgeving en niet met succesverhalen vanuit Europa of de VS.  Tijdens het begeleidingstraject werden er ook interne opleidingen georganiseerd voor de verschillende doelgroepen binnen de organisatie, afhankelijk van hun taak en rol in het traject.  In de opstartfase werd een milieuteam samengesteld van personeel van het centrum CEA en de betreffende KMO, die samen het hele traject doorliepen in een gemiddelde tijdsspanne van 6 maanden.  De behaalde resultaten werden dan gepubliceerd en in een afsluitend seminarie voorgesteld  Zo sprong ook de hotelsector, een zeer belangrijke economische sector in Cuenca, in de boot van schoner produceren.

Het is natuurlijk zo dat de methodologie ‘schoner produceren’‘een start is, maar zeker geen einde van het verhaal.  Met projecten als schoner produceren, doet men een stap in de goede richting, maar met deze methodologie worden niet alle milieuproblemen aangepakt.  De noodzaak van een milieutechnologie-toepassing op het einde (end-of-pipe) is vaak nog essentieel om milieuverontreiniging te voorkomen en/of te beperken.  Als men wil garanderen dat milieu een zorg wordt gedurende de hele bedrijfsvoering, dan komen we op het terrein van de milieumanagementsystemen.  Als men wil vermijden dat de geleverde inspanningen niet verloren gaan en dat huidige ‘goede praktijken’ worden geborgd, dan zorgt het wiel van Deming (Plan-Do-Check-Act) voor de dynamiek van continue verbetering van milieuzorgsysteem en milieuprestaties. We vonden in Ecuador ook bedrijven met interesse voor de implementatie van ISO 14001.  Het waren geen micro-ondernemingen, maar wel ondernemingen die van bedrijfsvoering en kwaliteit al meer kaas hadden gegeten en aan bepaalde kwaliteits- en milieueisen moesten voldoen om te kunnen exporteren.  Is een ISO 14001-certificaat een optie voor de Ecuatoriaanse kleine KMO?  Dat hangt af van vele factoren. Een certificaat halen en behouden is een kost en het is belangrijk dat de meerwaarde hiervan moet bekeken worden.  Een bedrijf met een ISO 14001-certificaat is natuurlijk geen garantie dat het om een competitieve en productieve organisatie gaat, de eerste bezorgdheid van de productieve sector in Ecuador. De initiële doorlichting van de KMO’s in Cuenca liet duidelijk zien dat deze eerder in aanmerking komen voor het ‘Schoner Produceren’-verhaal, omdat die methodologie toelaat om praktisch en relatief snel verbetering te boeken, waarbij het productieproces centraal staat. 


Het industriepark van Cuenca. Milieuzorg is er zeker geen prioriteit, want het principe van ‘de vervuiler betaalt’ bestaat er niet.


Vooral de vele KMO’s en micro-ondernemingen zorgen in Cuenca voor werkgelegenheid.  De meeste zijn actief in textiel, keramiek, meubel en houtbewerking, zilver- en goudsmederij en voeding.

End of pipe of geïntegreerde aanpak?

Eerst economische vooruitgang boeken en daarna denken aan het milieu? Of kan men de aandacht voor milieu integreren en tegelijk economisch beter presteren?  Internationaal bestaat er consensus over de nadelen van ‘end-of-pipe’-benadering en de voordelen van de procesgeïntegreerde en preventieve aanpak van ‘schoner produceren’.  De preventieve aanpak en maatregelen van reductie aan de bron, vermindert en/of sluit latere nabehandeling en depositie vaak uit.  Het voordeel is dat het productieproces centraal staat en dat milieu niet als geïsoleerd aspect aangepakt wordt.  Rationeel gebruik van grondstoffen, energie, water en gebruik van minder schadelijke producten, zijn milieu-inspanningen die vaak weinig investeringen vragen maar zowel een milieu- als economische winst opleveren.  Dit is bijzonder aantrekkelijk voor KMO’s die weinig kapitaalkrachtig zijn.  De ‘end-of-pipe’-aanpak vraagt meestal hoge investeringen en blijvende operationele kosten, bovendien wordt het ene milieuprobleem in een ander omgezet.  Schoner produceren (producción más limpia) is geen nieuw begrip in Latijns-Amerika.  In landen zoals Brazilië, Chili, Argentinië, Colombia en Mexico werden midden de jaren ’90 projecten Schoner Produceren door de overheid gesubsidieerd, zodat vele KMO’s een duw in de goede richting hebben gekregen.  In hierboven vermelde landen werden er centra voor ‘Schoner Produceren’ opgericht die met een methodologie op maat van de plaatselijke KMO-cultuur en met financiële middelen vaak vanuit internationale middens de productiviteit en competitiviteit van vele KMO’s hebben verhoogd.