Gevraagd: efficiënt beheer van schaarse middelen tegen kansarmoede

maart 2013

De laatste jaren zien we een belangrijke tendens tot nauwere samenwerking tussen gemeenten en OCMW's. Vorig jaar poogde de wetgever deze tendens te vertalen in een nieuw/gewijzigd gemeente- en OCMW-decreet. Maar bieden deze decreten daadwerkelijk meer garanties tot een beter coherent lokaal sociaal beleid en een betere dienstverlening aan de burger?

Een aantal van de wijzigingen hebben betrekking op het politieke kader en behelzen louter administratieve vereenvoudigingen. Maar andere wijzigingen opteren er uitdrukkelijk voor om de hinderpalen die nog bestonden voor samenwerking tussen gemeente en OCMW uit de weg te ruimen, met het oog op een “efficiëntieverbetering en kostenbesparing, zowel voor het gemeentelijke bestuursniveau als voor het OCMW”. Nog belangrijker misschien is dat een dergelijke doorgedreven samenwerking tussen een aanzet zou moeten zijn tot “een meer coherent lokaal sociaal beleid en een meer geïntegreerde dienstverlening aan de burger”.
Maar Het OCMW is maar een deeltje van een groot en complex overheidsapparaat waar het, zelfs voor geïnitieerden, soms moeilijk is om zijn weg te vinden. Hoe is het dan gesteld met de klanten? Weten zij nog voor wat ze precies een beroep kunnen doen op het OCMW, het CAW (Centrum Algemeen Welzijnswerk), de gemeente, (plaatselijke) vzw's, de mutualiteiten… ? Kunnen zij de bomen door het bos nog zien?

Raakvlakken en overlappingen

Het CAW bijvoorbeeld heeft als doelstellingen het ondersteunen van mensen bij familiale en persoonlijke problemen, het bannen van armoede, sociale uitsluiting en thuisloosheid, werken rond herstel van de relatie tussen dader, slachtoffer en maatschappij en voorzien in een goed uitgebouwde psychosociale hulpverlening op de eerste lijn. We merken al gauw tal van raakvlakken en overlappingen met de OCMW-werking/doelstelling zoals op het vlak van schuldbemiddeling, psychosociale hulpverlening en de ondersteuning van kwetsbare mensen, maar met enigszins andere klemtonen inzake hulpverlening aan slachtoffers en daders van misdrijven en echtscheidingsproblematieken. Niettemin is de scheidingslijn tussen OCMW en CAW zeer onduidelijk en arbitrair. Ongetwijfeld kan alvast de samensmelting van beide organisaties of een duidelijke afbakening van het takenpakket tussen beide voor een efficiëntere besteding van de schaarse middelen voor kansarmoede leiden.
Eenzelfde denkoefening kunnen we maken voor tal van welzijnsorganisaties actief op het lokale terrein.

Rekenen op goodwill

We moeten ons ook dringend de vraag stellen of OCMW-gemeenteraadsleden zich overal in Vlaanderen dienen te buigen over technische ICT-dossiers, uitermate ingewikkelde rechtspositieregelingen, de opmaak van bestekken en aankoopdossiers, de analyse van verzekeringspolissen, immense bouwdossiers en ga zo maar door. Hoeveel tijd vergt het vooraleer men zich een complex ICT-dossier eigen maakt? Soms zetelt men voor een minimumperiode van 6, 3 jaar of zelfs minder. Zou het niet efficiënter zijn dat een overkoepelend bestuur op provinciaal of Vlaams niveau dat beschikt over experts terzake, deze rol zou vervullen? Nu nemen vzw's, zoals bijvoorbeeld het welzijnsconsortium uit Kortrijk, deels die rol op. Ze nemen initiatieven die alle OCMW's uit Zuid-West-Vlaanderen ten goede komen. Grotere OCMW's nemen soms het voortouw in het sluiten van grote raamcontracten waar ook kleinere OCMW's kunnen op intekenen. Het aankoopbeleid kan met andere woorden veel efficiënter gebeuren. Ook de provincie biedt op heel wat vlakken een duidelijke meerwaarde, bijvoorbeeld bij de opmaak van regioanalyses, preventiecampagnes op vlak van gezondheid, vorming (de school voor bestuursrecht), dossieropmaak… Intercommunales als Leiedal springen ook in de bres en ondersteunen de plaatselijke besturen op talrijke vlakken, voorzitters en secretarissen verenigen zich om samenwerkingsverbanden op te stellen, eenvormige steunbarema's uit te werken.
Maar nergens valt er een lijn of eenduidigheid te bespeuren en hangt men grotendeels af van de goodwill van sterke besturen die meestal geld en personeel hebben om deze taken op zich te nemen. En men rekent op de inzet van individuen die hun schouders willen zetten onder deze arbeidsintensieve initiatieven. Bovendien blijft de lokale autonomie ook in deze van kracht en is men er bijvoorbeeld tot op heden niet in geslaagd een eenvormig steunbarema voor de regio uit te werken. Zo bepaalt de raad voor maatschappelijk welzijn op lokaal niveau welke steunmaatregelen om kansarmoede te bestrijden, ze zal nemen volgens de beschikbare middelen.
Recent pleitte men op de vergadering van de West-Vlaamse OCMW-secretarissen om zoveel mogelijk diensten die in concurrentie staan met de privésector in een vzw-structuur onder te brengen, teneinde de verplichtingen inzake statutaire aanwervingen en zware personeelskosten gerelateerd aan rechtspositieregelingen te ontlopen. Dit leidt ongetwijfeld naar nog meer wildgroei en ondoorzichtigheid, en men kan zich afvragen of een tweesnelheidsambtenarij zich op termijn niet zal wreken. Ethisch kan men zich bij dit arbitraire onderscheid hoe dan ook vragen stellen. Anderzijds geeft het wel blijk van financiële alertheid, creativiteit, en een pragmatische aanpak in een landschap waar een zinvolle wettelijke context ontbreekt.

Stop die wildgroei

Het bestrijden van kansarmoede mag niet afhankelijk zijn van de goodwill van instanties, de overtuigingskracht van individuen, de financiële draagkracht van overheden of organisaties of het behoren tot een of andere zuil. Het zou anders kunnen: beter gestroomlijnd, meer gestandaardiseerd, transparanter en bijgevolg economischer. Er moet dan ook dringend paal en perk gesteld worden aan de wildgroei van overlappende initiatieven. De verantwoordelijkheden van de centra voor algemeen welzijnswerk en andere welzijnsorganisaties vallen in verschillende gevallen te veel samen met die van de OCMW's.
De uitbouw van een coherent lokaal sociaal beleid vergt dus veel ingrijpender maatregelen dan het intensifiëren van de samenwerking tussen OCMW en de gemeente. En het blijft bovendien dan ook zeer de vraag of deze integratiebeweging betere garanties biedt op een efficiënte bestrijding van de lokale kansarmoede en of de middelen die vrijkomen door geslaagde samenwerkingsverbanden of integratiebewegingen daadwerkelijk zullen aangewend worden om de kansarmoede in de gemeente te bestrijden. Vooraleer stappen te zetten in een bepaalde richting doen lokale besturen er goed aan het spreekwoord ‘bezint vooraleer je begint' alle eer aan te doen.

Myriam DELODDERE secretaris OCMW Wervik


Lees hier andere artikels van deze auteur...

Contacteer de auteur...

Op de hoogte blijven van onze opleidingen?

Schrijf je in op onze nieuwsbrief

Recente blogs